Hoe vakkennis uit het theater een academische schrijfstijl kan vormgeven
Het is zomer, en de dagen zijn rustiger. Ik ben minder aan het rondrennen op een dagschema, waardoor het me soms ineens lukt om een gedachte over een langere periode vast te houden en uit te denken. Het resultaat is een wat langer verhaal, neem de tijd.
Schrijfstijl in academische teksten
Onlangs gaf ik voor Artesc weer eens een schrijftraining aan de TU Delft samen met mijn collega Annefleur Schep, en in de pauze kwam een studente naar ons toe met een interessante vraag. Ze wilde meer weten over schrijfstijl in academische teksten. Het gesprek dat daaruit volgde houdt me al een paar dagen bezig, omdat kennis uit verschillende domeinen waar ik in werk ineens allemaal bij elkaar kwamen. Ik schrijf deze post om te kunnen benoemen hoe dat precies in elkaar zit, en voor mezelf te onderzoeken wat daar nou de meerwaarde van is.
De vraag die de studente in eerste instantie stelde was; “Hoe kan ik de stijl van mijn academische tekst persoonlijker maken.” We bespraken waar stijl uit bestaat, en hoe je een stijl kunt kiezen. Om een stijl persoonlijker te maken, moet je een beetje weten waar je uit te kiezen hebt als het gaat om stijl. Tegenwoordige of verleden tijd bijvoorbeeld. De keuze voor een bepaald soort woorden; officieel of informeel, complex of eenvoudig. Of; een keuze voor de eerste persoon enkelvoud als vertelstem (ik), of de eerste persoon meervoud (wij). Dat soort esthetische keuzes bepalen de stijl van de tekst. Helaas krijgen de phd-studenten waar wij mee werken eigenlijk altijd maar één stijl voorgeschoteld; een vrij vaststaande, strakke academische vorm, waarin zo veel mogelijk informatie in zo min mogelijk woorden moet worden gevat. Bij Artesc proberen we hier al wat meer verhalende elementen aan toe te voegen, en wat meer ritme en schwung in te krijgen, binnen de academische kaders waar de tekst uiteraard aan moet voldoen. Een lastige balanceerkunst.
Professioneel twijfelen
“Eigenlijk’, zei de studente, “zoek ik naar een manier om meer twijfel toe te laten in mijn tekst. Hoe zorg ik dat ik niet zo stellig klink, alsof ik alles al weet en heb begrepen?” Dat is een geweldige vraag, omdat het toelaten van twijfel kans geeft aan het stellen van nieuwe vragen. Iets dat de wetenschappelijke inzichten in mijn ogen alleen maar kan verdiepen. Tegelijkertijd is het niet voor de hand liggend voor de studenten om openlijk te twijfelen. Ze werken in een erg competitieve omgeving, waardoor ze juist vaak de overtuigingskracht van hun schrijfstijl willen vergroten, logisch ook. We bespraken hoe je dat doet; twijfelen in een tekst. “Je kunt vrij letterlijk schrijven over dat wat je niet weet”, zei ik. Probeer te benoemen welke vragen je hebt, waar je nog meerdere mogelijkheden ziet, waar je nog niet achter bent. Probeer te schrijven over de keuzes die je hebt in het perspectief van je tekst en wat je daar nog niet precies in kúnt kiezen en waarom. Dat levert je vaak veel op, zowel voor de tekst die je gaat schrijven, als voor je eigen gedachteproces.
Perspectief doet ertoe
“Waarom wil je eigenlijk precies op zoek naar de twijfel?” Vroeg ik haar. “Nou” zei ze, ik werk op dit moment in mijn onderzoek met een kwetsbare doelgroep. Ik zou heel graag willen voorkomen dat ik als onderzoeker als een soort autoriteit over hen schrijf, alsof ik op ze neer kijk. Ik wil een stem vinden die recht doet aan hun situatie, zonder dat ik pretendeer te weten wat zij hebben meegemaakt.” Een bijzonder genuanceerde instelling, die me deed denken aan het begrip focalisatie van Mieke Bal. Een begrip dat helpt bevragen op welke manier de tekst een lens is; een blik op de wereld. Wie spreekt hier? Wie kijkt? Wat wordt beschreven en door wiens ogen kijken we? Welke blik bepaalt en wiens stem wordt niet gehoord?” Er kleven sociale en politieke consequenties aan de focalisatie van een tekst, zeker wanneer ze vertelt over de geleefde ervaring van anderen. Deze studente voelde dat haarfijn aan.
Drie niveaus van status
Dat bracht mij op het idee om het over status te hebben, en daar komt kennis uit het theater van pas. Wanneer je in het theater werkt aan een personage, of dat nu is als schrijver, regisseur of speler, dan is één van de elementen die je kunt gebruiken om een personage op te bouwen, de status waarmee iemand spreekt. Grofweg heb je drie opties. De eerste is om te spreken vanuit een hoge status. Een makkelijk voorbeeld is de koningin, die haar onderdanen toespreekt. Neem je die status als uitgangspunt, dan verandert de houding van de spreker, de toon, de woordkeuze eigenlijk automatisch. Een tweede optie is de status die je gelijkwaardig maakt aan je toehoorder. Je spreekt op ooghoogte met elkaar. Je zoekt verbinding, je spiegelt de ander, je maakt oogcontact en je wisselt ideeën uit. Op ooghoogte spreken nodigt uit tot dialoog en uitwisseling. Maar je kunt ook nog voor een derde optie gaan, en dan verlaag je je status tot onder die van de persoon waarmee je spreekt. In dat geval plaats je de persoon tegenover je in gedachten eigenlijk boven je. Je vraagt wat die persoon wil, waar deze persoon behoefte aan heeft of wat ze nodig hebben. Je stelt je dienstbaar op. Je wacht af wat de ander zegt, je stuurt niet maar reageert, en je bevraagt wat je zegt. Heb ik je goed begrepen, heb ik je goed gehoord?
Ik adviseerde de studente om de verschillende status niveaus uit te proberen. We hadden net die ochtend een freewriting-oefening gedaan. Drie minuten schrijven zonder stoppen. “Wat als je drie korte teksten schrijft, stelde ik voor, met freewriting als methode, waarbij je drie verschillende status niveaus uitprobeert. Stel je de doelgroep van je onderzoek voor, denk je in dat je met hen in gesprek bent, en schrijf aan hen in die drie verschillende niveaus. Misschien levert je dat wel nieuwe inzichten op, over de schrijfstijl waarin je je artikel kunt schrijven.”

Het theater vindt een weg de wetenschap in
Waarom wilde ik dit specifieke moment uit het werk als docent zo graag aanhalen en hier uitlichten. Ten eerste omdat de vraag van de studente zo mooi is, en gaat over een scherp bewustzijn over de relatie tussen haar en de mensen die ze via haar onderzoek beter probeert te begrijpen. Ten tweede, omdat ik het bijzonder vind hoe kennis uit het theaterdomein over het acteren van personages soms zo menselijk en alledaags is, en op een gedetailleerd niveau kan tonen hoe mensen met elkaar omgaan. Een acteur heeft heel precies gekeken naar mensen, hoe ze doen en wat ze zeggen, en kan daardoor in detail op technisch niveau een mens nabootsen. Een enorm hoog niveau van empathie, dat je niet op veel andere plekken terugvindt. Op die manier is theaterkennis toe te passen in allerlei andere domeinen, en dus ook in die van een promotietraject aan de TU Delft. En ten derde omdat taal er dus toe doet. Welke taal je kiest, in welke taal je schrijft, de focalisatie van je tekst doet iets met de manier waarop je de werkelijkheid beschrijft. Een onderzoeker op dit niveau heeft er dus wat aan om zich bezig te houden met stijl, focalisatie, schrijfstijl. Voor mij een goed voorbeeld van hoe de geesteswetenschappen, in dit geval het werk van Mieke Bal, van waarde kunnen zijn voor elk onderzoeksdomein.
Praktijk en theorie gecombineerd
De combinatie van de praktische kennis uit het theater, de praktische kennis rondom focalisatie in een tekst en hoe je daar technisch mee om kunt gaan, en hoe dat leidt tot schrijfstijl, kunnen het menselijke perspectief tonen, dat van waarde is in wetenschappelijk onderzoek. Op die manier gaat praktische, alledaagse, menselijke kennis die in het theater is ontwikkeld, een relatie aan met het theoretische domein van de wetenschappen. Wat zou er nog meer allemaal mogelijk zijn, als we kennis van acteurs en theatermakers vaker en meer zouden toevoegen aan de wetenschap? Een vraag die Artesc, en mij, actief bezighoudt. In deze tekst geef ik verschillende voorbeelden van schrijfmethoden, die je als onderzoeker kunnen helpen je eigen werk en teksten te bevragen. Ben je daarin geïnteresseerd, dan kan ik je ook het werk ‘Schrijvend onderzoeken, onderzoekend schrijven’ aanraden dat onlangs is verschenen bij HKU Press, met daarin een bijdrage van mijn hand. Meer informatie vind je hier: klik!
